Vocabulaire

le / la francophone =
de Franstalige
la francophonie =
de gemeenschap van franssprekenden, het franstalig deel van de wereld
la langue maternelle =
de moedertaal
la langue officielle =
de officiële taal
officiellement =
officieel, van overheidswege
regrouper =
verenigen, omvatten
cependant =
niettemin, evenwel
couramment =
gewoonlijk, algemeen
le concept =
het begrip, het concept
fréquemment =
vaak, herhaaldelijk, dikwijls